Persoonlijke verhalen

Vooroordelen kunnen gelijke kansen of gelijke behandeling in de weg staan. Wij hebben een aantal mensen gesproken met beroepen die je misschien niet meteen zou verwachten. Wat blijkt? Ze krijgen nog vaak te maken met ongeloof maar dit weerhoudt ze niet om het werk te doen waar ze blij van worden. Laat je inspireren door hun verhalen!

“Ik heb zo vaak gehad dat mensen als ik mijn beroep als ‘schilder’ benoemde, dachten dat ik kunstwerken maakte.” – Alexandra Velthuijzen, schilder

Allereerst: waarom heb je ervoor gekozen om schilder te worden?

“Eigenlijk heb ik er niet echt voor gekozen maar ben ik er soort van ingerold. Mijn moeder had de hulp ingeschakeld van een vriend van de familie die bouwvakker is om een zoldervloer te slopen en opnieuw te leggen. Ik ging daar toen bij helpen. Ik was net gestopt met mijn buitenschoolse dansopleiding vanwege blessures maar was daardoor nog behoorlijk sterk en gespierd. Hij vond dat ik goed werkte, eigenlijk beter dan een paar jonge mannen die hij ooit als hulp had gehad. Toen hij een maand later een grote klus had met het vervangen van boeidelen op een steiger vroeg hij daarom mijn hulp. Ik had toen verder nog geen kennis qua schilderwerk en deed meer dienst als krachtpatser/loopjongen op dat moment. Toen hij mijn werk goed genoeg vond besloot hij mij alle ins and outs van het schilderwerk te leren zodat ik de schilderklussen die hij over had van hem kon overnemen. Na meerdere klussen via hem te hebben gedaan kreeg ik doorverwijzingen via die opdrachtgevers en zo begon ik mijn eigen netwerk van klanten op te bouwen.”

Heb je het idee dat er voor vrouwen meer obstakels zijn om schilder te worden?

“Wat betreft schilderwerk denk ik niet. Bij andere klussen zoals keukens zetten en vloeren leggen waarbij kracht meer een probleem kan geven misschien wel. Ik had eigenlijk wel verwacht dat het moeilijk zou kunnen zijn, daarom had ik me bij de KvK ingeschreven met de naam AlexProjecten om de indruk te wekken dat ik een man was. Maar over het algemeen heeft het juist in mijn voordeel gewerkt dat ik een vrouw ben. Ik heb er altijd positieve reacties op gehad van opdrachtgevers. Ik denk dat dat voornamelijk komt omdat men denkt dat vrouwen preciezer werken.”

Ben je als vrouw vaak in de minderheid tussen andere schilders? Zo ja, hoe is dat?

“Absoluut. Ik ben eigenlijk nog geen een vrouwelijke collega tegen gekomen, ook al kan ik me niet voorstellen dat ze er niet zouden zijn. Ik heb er meestal niet echt problemen mee, behalve als ik materiaal inkopen doe. Daar ben ik meestal wel een bezienswaardigheid en zie ik de mannen elkaar soms wel aantikken. Ook met buitenklussen kan het soms zijn dat er in dezelfde straat mannelijke schilders bezig zijn die altijd even komen aanschouwen en die het van me over willen nemen als ik de trap verplaats.”

Heb je wel eens gehad dat mensen verbaasd reageren als je hen vertelt wat je doet of wilde gaan doen? Of gebeurt het wel eens dat mensen niet begrijpen waarom jij, als vrouw, schilder bent? Zo ja, kun je daar een voorbeeld van geven? Hoe voelt dit voor jou?

“Ik heb eigenlijk nog nooit iemand gehad die het vanzelfsprekend vond. Ik heb zo vaak gehad dat mensen, als ik mijn beroep als ‘schilder’ benoemde, dachten dat ik kunstwerken maakte. Tegenwoordig zeg ik daarom maar dat ik ‘huisschilder’ ben gevolgd door een uitleg wat het werk precies inhoudt. Al zijn de meeste reacties vaak positief, vooral van andere vrouwen, krijg ik soms ook wel de vraag of dit werk niet te zwaar is voor een vrouw en hebben mannen meestal de neiging om daarna te vertellen wat voor ‘stoere’ dingen zij in het dagelijks leven doen. Ik vind het altijd wel grappig om de verbazing te zien. Ik vind het juist leuk dat ik iets doe wat voor vrouwen niet gebruikelijk is. Juist omdat hun verbazing mensen zo duidelijk laat zien dat ze bevooroordeeld zijn”.

We spraken laatst een automonteur met een eigen garage, zij vertelde dat nieuwe klanten haar vaak bij binnenkomst ‘is er niemand?’ vragen omdat ze niet verwachten dat zij de monteur is. Gaan mensen er ook wel eens van uit dat jij iets anders doet op jouw werkplek?

“Ja, dat gebeurt eigenlijk te vaak. Zij hebben door mijn werkkleding wel altijd door dat ik aan het schilderen ben, maar ze hebben nooit door dat ik het betaald doe. De postbode denkt altijd dat ik de eigenaar van het huis ben, als het een nieuw huis is de buren ook. En als ik in de trein naar huis zit wordt mij altijd gevraagd of ik mijn huis zelf aan het schilderen ben. Zelfs bij materiaal inkopen kreeg ik in het begin soms de opmerking ‘Fijn je huis aan het schilderen?’.”

“Veel mensen hebben een stereotiep beeld in hun hoofd van hoe een directeur eruit hoort te zien, ze denken dan aan een mannelijke manager van rond de veertig jaar.” – Kristel Groenenboom, eigenaar van een containerbedrijf.

Allereerst: waarom heb je ervoor gekozen om eigenaar van een containerbedrijf te worden?

“Als klein kind wilde ik dit al. Ik ging regelmatig mee met mijn vader en ik had veel bewondering voor zijn werk. Het is een stoere wereld van lassers, stralers en spuiters. Dit trok mij als klein meisje al aan. Daarnaast maken we hele bijzondere producten voor diverse klanten en sectoren. Je ontmoet zoveel verschillende mensen. Ook op internationaal gebied.”

Heb je het idee dat er voor vrouwen meer obstakels zijn om eigenaar van een containerbedrijf of directeur te worden?

“Ja, vrouwen en zeker jonge vrouwen krijgen met veel vooroordelen te maken. Veel mensen hebben een stereotiep beeld in hun hoofd van hoe een directeur eruit hoort te zien, ze denken dan aan een mannelijke manager van rond de veertig jaar. Dit merk je zelf op verschillende vlakken, maar er is ook wetenschappelijk onderzoek naar gedaan. Als je als jonge vrouw de directeur blijkt te zijn van een containerbedrijf dan voldoe je niet aan het stereotiepe beeld en dan krijg je al snel rare of bevooroordeelde reacties. Bijvoorbeeld: toen ik in het begin van mijn carrière een nieuwe heftruck wilde aanschaffen, wilde de verkoper liever zaken doen met een mannelijke collega. Hij ging er al direct vanuit dat vrouwen niet technisch zijn. Bij veiligheidsaudits of ISO audits staat er zelfs standaard als aanspreking in rapporten ‘Dhr. ‘ of ‘Meneer … ‘. Dit is zo gestandaardiseerd omdat men er al vanuit gaat dat het geen vrouwen zijn waarmee ze de audit uitvoeren.”

Ben je als vrouw vaak in de minderheid tussen andere directeuren? Zo ja, hoe is dat?

“Ja, heel vaak. Elke dag kom ik talloze verbaasde blikken tegen als ik zeg dat ik de directeur ben of als ik bijvoorbeeld een heftruck ga kopen. Niet alleen het feit dat ik een vrouw ben verbaast mensen, maar ook mijn leeftijd. Na acht jaar vind ik dit niet meer zo vreemd en voel ik me er ook niet meer ongemakkelijk over. Maar jammer vind ik het wel. Ik had graag meer vrouwen gezien in ondernemersraden en besturen.”

Heb je wel eens gehad dat mensen verbaasd reageren als je hen vertelt wat je doet of wilde gaan doen? Of gebeurt het wel eens dat mensen niet begrijpen waarom jij, als vrouw, eigenaar van een containerbedrijf bent?

“Het meest vervelende vind ik de vragen die men kan stellen: ‘hoe oud ben jij?’; ‘heb je een man in de zaak?’; ‘is het vastgoed ook van jou?’ of ‘vind je dit beroep eigenlijk echt leuk of is het gedwongen?’. Dit soort vragen vind ik gewoon onbeschoft en zelfs beledigend en het maakt heel duidelijk hoe mensen redeneren vanuit hokjes.  Zulke vragen zou men niet zo snel aan een man stellen.”

Gaan mensen er ook wel eens van uit dat jij iets anders doet op jouw werkplek?

“Ja. Men denkt aan de receptie dat je de koffiejuffrouw bent. Ik heb een keer meegemaakt dat een man me vroeg of ik even de directeur wilde gaan halen. Hij had een afspraak met ‘Meneer Groenenboom’. Ik heb hem toen 15 minuten laten wachten en later mijn mannelijke collega op hem afgestuurd. Die zei toen: ‘de directeur? U heeft haar net gezien.’.
Een andere keer vroeg een vertegenwoordiger naar ‘Meneer Kristel’, omdat hij ervan uitging dat de eigenaar van het bedrijf wel een man moest zijn. Dit is later de titel van mijn boek geworden ‘Mag ik meneer Kristel even spreken’. Ik was hier toen heel verbaasd over en vond het ook ongelofelijk dat in deze moderne tijd mensen nog zo bevooroordeeld en stereotyperend kunnen denken. Waarom kan een vrouw geen (goede) directeur zijn van een metaalbedrijf?”

“Ik heb veel de vraag gekregen waarom ik koos voor een vrouwenberoep.” – Simon Hay, pedagoog

Allereerst: waarom heb je ervoor gekozen om pedagoog te worden en bij de kinderopvang te werken?

“Toen in 12 jaar oud was is mijn jongste broertje geboren (ik heb daarnaast nog een twee jaar jongere broer en een vier jaar jongere zus). Vanaf het eerste moment hebben we veel met elkaar opgetrokken. Hij wilde overal mee naartoe en ik vond dat ook heel gezellig. Ik vond het bijzonder om van zo dichtbij een mens te zien ontwikkelen. Het enige wat ik hoefde toe doen was hem zich op zijn gemak te laten voelen. Hij stelde vervolgens vragen, deelde zijn mening en visie op de wereld. Ik raakte gefascineerd door het perspectief van kinderen en wilde graag met kinderen werken. Ik heb eerst een aantal jaar als pedagogisch medewerker op baby- dreumes-, peuter- en buitenschoolse opvang gewerkt. Daarna heb ik als locatiemanager gewerkt en ben deeltijd pedagogiek gaan studeren aan de Universiteit van Leiden. Vanaf 2008 werk ik als pedagoog.”

Heb je het idee dat er voor mannen meer obstakels zijn om pedagoog te worden? Of om bij een kinderopvang te werken?

“Jazeker, maar door de obstakels te hebben moeten trotseren ben ik snel vakvolwassen geworden. Ik heb voornamelijk obstakels ervaren toen ik op de groep werkte als pedagogisch medewerker. Toen ik met baby’s werkte vonden een aantal ouders het niet prettig dat een man bij hun kind op de groep stond. Ik heb geleerd dat de zorg van ouders niet mij als persoon betreft, maar het feit dat ik een man ben. Toen ik dit realiseerde ben ik de situatie als een mooie uitdaging gaan zien: ik wilde ouders laten ervaren dat ik net zo goed voor hun kind kon zorgen als mijn collega’s. Als dat lukt en als ouders dan aangeven een man op de groep een mooie aanvulling te vinden, ervaar ik dat wel als overwinning.

Een ander obstakel vond ik, zeker toen ik net ging studeren, de reacties van mijn omgeving op mijn beroepskeuze. Gelukkig was mijn directe omgeving heel ondersteunend, maar ik heb ook veel de vraag gekregen waarom ik koos voor een vrouwenberoep. Hoe ouder ik werd hoe minder de mening van de omgeving ertoe ging doen, maar als je jong bent is het lastig om buiten de groep te vallen.”

Ben je als man vaak in de minderheid tussen andere pedagogen? Zo ja, hoe is dat?

“Ja, ik ken geen andere mannelijke pedagoog werkzaam binnen de kinderopvang. Er zullen er vast nog meer zijn, maar het zijn er niet veel. Maar elke situatie heeft voor- en nadelen. Natuurlijk is het jammer niet te kunnen afstemmen met iemand in exact dezelfde positie als ik, maar tegelijkertijd ervaar ik heel goed contact met mijn vakgenoten. Ik merk dat ik mijzelf niet meer als uitzondering zie, maar ik word soms geconfronteerd met mijn uitzonderingspositie door een ander die vraagt hoe het is om de uitzondering te zijn. Dan denk ik “oh ja, ik ben inderdaad de enige man die aanwezig is”. Met andere woorden:  ik voel mij heel prettig in de sector.”

Heb je wel eens gehad dat mensen verbaasd reageren als je hen vertelt wat je doet of wilde gaan doen?

“Ik heb dat heel vaak. Ik vind dat ook wel leuk, en ik maak er ondertussen een geintje van. Ik vind het wel mooi om mensen die verbaasd reageren als ik zeg dat ik in de kinderopvang werk, te confronteren met hun genderstereotypering. Als ik hen vraag in welke sector zij dachten dat ik werkzaam ben, dan zie je ze wat ongemakkelijk naar antwoorden zoeken. Vaak volgt daarna een leuk gesprek over de inhoud van mijn vak in plaats van over wie wel of niet in de kinderopvang ‘hoort’ te werken.”

Gaan mensen er ook wel eens van uit dat jij iets anders doet op jouw werkplek?

Op kinderopvanglocaties word ik door andere ouders wel eens gevraagd van welk kind ik de vader ben. Als ik dan de namen van mijn kinderen noem en er zichtbaar geen belletje gaat rinkelen bij de ouder, dan vertel ik dat mijn kinderen niet naar deze opvang gaan en dat ik hier werk. De ander confronteren met genderstereotypering blijft leuk.

 

 

“Mensen kunnen, na twintig jaar, nog steeds verbaasd reageren als ik vertel dat ik gevangenisdirecteur ben.” – Natascha Veeren, gevangenisdirecteur.

Allereerst: waarom heb je ervoor gekozen om directeur van een (mannen)gevangenis te worden?

“Ik heb er niet voor gekozen gevangenisdirecteur te worden, maar ben ik voor de functie gevraagd. Op 20 jarige leeftijd, toen ik moeder was van een 3-jarige dochter, moest ik een beroepskeuze maken. Toen ben ik als gevangenisbewaarder begonnen en heb diverse functies binnen het bedrijf bekleed. Het salaris was voor mij een doorslaggevende reden om de keuze op het gevangeniswezen te laten vallen.

Op mijn 30ste was ik als manager werkzaam in de gevangenis in Zoetermeer. Door diverse misstanden, bij de toenmalige directie, ben ik benaderd om samen met een interim directeur die gevangenis te gaan leiden. Heel snel daarna ben ik gevangenisdirecteur geworden.”

Heb je het idee dat er voor vrouwen meer obstakels zijn om gevangenisdirecteur te worden?

“Zelf denk ik niet zo gauw dat er obstakels zijn, het gaat er om wat je er zelf, maar ook je omgeving, van maakt. Het is een pittige baan waar je sterk voor in je schoenen moet staan. De baan is niet voor iedereen weggelegd, dat geldt voor zowel mannen als vrouwen. Je moet een dikke huid hebben en je moet dingen van je af kunnen laten glijden.

Het gevangeniswezen spreekt tot bijna ieders verbeelding. Zelfs nu nog denken familie en vrienden dat ik dagelijks word uitgescholden en dat vechtpartijen niet van de lucht zijn. Dit valt over het algemeen ontzettend mee. Met mensen in gesprek blijven is de sleutel. Dat wil niet zeggen dat er geen machocultuur heerst. Het is nog steeds een wereld met overwegend mannen.

Verder is er een enorm verschil tussen het werk nu en dertig jaar geleden. In mijn beginjaren was dit werk als vrouw pionieren. Er waren geen aparte voorzieningen, zoals toiletten, douches of aparte ruimtes, voor vrouwen. Tegenwoordig zijn vrouwen meer en beter vertegenwoordigd, zowel op de werkvloer als binnen directieteams. De divisiedirecteur en de plaatsvervangend hoofddirecteur waar ik nu werk, zijn vrouwen.”

Ben je als vrouw vaak in de minderheid tussen andere directeuren? Zo ja, hoe is dat?

“Vroeger wel, tegenwoordig stukken minder. Dat voelt op zich goed want de functie maakt geen onderscheid. Dat doen de mensen zelf. Het is aan jou hoe hier mee om te gaan.”

Heb je wel eens gehad dat mensen verbaasd reageren als je hen vertelt wat je doet of wilde gaan doen? Of gebeurt het wel eens dat mensen niet begrijpen waarom jij, als vrouw, gevangenisdirecteur bent? Zo ja, kun je daar een voorbeeld van geven? Hoe voelt dit voor jou?

“Mensen kunnen, na twintig jaar, nog steeds verbaasd reageren als ik vertel dat ik gevangenisdirecteur ben. Maar tegenwoordig ervaar ik dat mensen, in het bijzonder donkere mensen en vrouwen, vol trots en bewondering kunnen reageren op wat ik doe en bereikt heb. Dat was vroeger minder, maar dat kan ook met mijn leeftijd te maken hebben.

Een vrouw zijn in een mannenwereld als de mijne is bijzonder, maar een donkere vrouw als gevangenisdirecteur is al helemaal zeldzaam. Ik heb heel veel verhalen over hoe mensen kunnen reageren op mijn rol als directeur. Zo zijn er soms gedetineerden of ketenpartners die komen voor een gesprek met mij en vragen waar de ‘echte’ directeur blijft, terwijl ik al voor ze sta. Of partners van medewerkers die ik buiten werk tegenkom en die zich dan zichtbaar afvragen hoe het mogelijk is dat ik gevangenisdirecteur ben.

Met mijn man ben ik op werkbezoek geweest in Suriname. We werden met de dienstauto van de gevangenis aldaar opgehaald en moesten even wachten tot we werden opgehaald om aan het directieteam voorgesteld te worden. Ik hoorde de portier door de intercom zeggen: ‘De directeur is er samen met zijn secretaresse.’ Dit terwijl het eigenlijk al duidelijk was dat het om mij draaide. Ik heb daarna even een hartig woordje met de desbetreffende medewerker gesproken en ik kon er eigenlijk wel smakelijk om lachen. Want dat is toch wat ik meestal doe om zulke opmerkingen en situaties. Toch worden deze situaties en opmerkingen steeds minder. Wellicht kan het ook zijn dat ik ze gewoon niet meer hoor.”